Leonberger standaard |
|
Korte geschiedenis De eerste honden die metterdaad Leonbergers werden genoemd, werden in 1846 geboren. Zij verenigden alle voortreffelijke eigenschappen van de rassen die als uitgangspunt hadden gediend in zich. Korte tijd later al werden veel van deze honden uit Leonberg over de hele wereld als statussymbool verkocht. Aan het eind van de 19de eeuw werd in Baden-Württemberg de Leonberger graag op de boerderij gehouden. Hij werd geroemd om zijn werk als waak- en als trekhond. Gedurende beide wereldoorlogen en in de jaren van schaarste erna liep het aantal fokdieren dramatisch terug. Vandaag de dag is de Leonberger een uitstekende gezinshond, die voldoet aan alle eisen die het moderne leven aan hem stelt. Algemene verschijning Vooral de reu is imposant en straalt kracht uit. Verhoudingen Gedrag, karakter Tot de gewenste karaktervastheid behoren vooral:
Hoofd Schedel zowel van opzij als van voren gezien weinig gewelfd. Krachtig, passend bij lichaam en botwerk, maar nooit zwaar. Het achterste deel is nauwelijks breder dan dat bij de ogen. Aangezichtsschedel Neus: altijd zwart. Voorsnuit: vrij lang, nooit spits toelopend. Neusrug overal even breed, nooit hol, eerder licht gewelfd (ramsneus). Lippen: aangesloten, zwart met gesloten mondhoek. Kaken: krachtig met een perfect, regelmatig compleet schaargebit, waarvan de bovenste rij tanden zonder tussenruimte over de onderste valt. De tanden (42 conform de gebitsformule, waarbij het ontbreken van de M3 wordt getolereerd) staan loodrecht in de kaak. Een tanggebit is toegestaan. De onderkaak mag geen insnoering vertonen bij de hoektanden. Wangen: slechts weinig ontwikkeld. Ogen: licht- tot zo donker mogelijk bruin, middelgroot, ovaal, niet diepliggend noch uitpuilend, noch te dicht noch te ver uit elkaar staand. De oogleden sluiten goed, zodat geen bindvlies te zien is. Het wit van de ogen (het zichtbare deel van de lederhuid) mag niet rood zijn. Oren: hoog, niet te ver naar achteren aangezet. Hangend, middelgroot, vlezig, tegen het hoofd gedragen. Hals Lichaam Schoft: duidelijk afgetekend, in het bijzonder bij de reu. Rug: krachtig, recht en breed. Lendenen: breed, krachtig, goed bespierd. Croupe: breed, tamelijk lang, licht gerond, vloeiend overgaand in de staartaanzet. Overbouwd is verwerpelijk. Borst: breed, diep, minstens tot de ellebogen reikend. Niet te tonvormig, eerder ovaal. Onderbelijning: slechts licht oplopend. Staart: zeer rijk behaard. In stand recht omlaag hangend, ook in de beweging slechts weinig opgebogen en bij voorkeur niet boven het verlengde van de ruglijn uitkomend. Ledematen: zeer krachtig, speciaal bij de reu. Voorhand Benen: recht, evenwijdig. Niet nauw. Schouders/bovenarm: lang, schuin geplaatst, een niet te stompe hoek met elkaar vormend. Voormiddenvoet: krachtig, niet slap. Van voren gezien recht, vanaf de zijkant gezien bijna loodrecht. Voeten: in stand recht. Niet naar binnen, noch naar buiten gedraaid. Redelijk rond, gesloten, tenen goed gewelfd. Voetkussens zwart. Achterhand Benen: van achteren gezien niet te nauw staand, evenwijdig. Spronggewrichten niet naar binnen noch naar buiten wijzend. Wolfsklauwen moeten verwijderd zijn. Bekken: schuin geplaatst. Dijbenen: tamelijk lang, schuin gelegen, sterk bespierd. Dijbeen en sprong moeten een duidelijke hoek vormen. Spronggewrichten: krachtig, duidelijke hoek tussen sprong en achtermiddenvoet. Voeten: in stand recht naar voren wijzend. Niet te lang. Tenen gewelfd. Voetkussens zwart. Gangwerk: ruim uitgrijpend. Regelmatig bewegingsverloop in alle gangen. Voor veel grond nemend, achter goed stuwend. In stap en draf van voren en van achteren gezien blijven de benen steeds recht. Vacht Structuur: middelzacht tot stug. Rijkelijk lang, vlakliggend, nooit in een scheiding. De beharing laat overal ondanks de vele ondervacht de lichaamsbouw zien. Sluik, beetje golvend nog toegestaan. Aan hals en borst een manenkraag, vooral bij reuen. Duidelijke bevedering aan de voorbenen, uitgesproken broek aan de achterbenen. Kleur: geel, rood, roodbruin, ook zandkleurig (vaalgeel, crêmekleurig) en alle combinaties daarvan, altijd met zwart masker. Zwarte haarpunten zijn toegestaan, zwart mag echter niet de grondkleur van de hond bepalen. Lichtere aftekeningen in de grondkleur aan de onderkant van de staart, de manen, de bevedering van de voorhand en de broek aan de achterbenen mogen niet zo sterk zijn, dat ze de harmonie met de grondkleur verstoren. Een kleine witte borstvlek of smalle streep op de borst zijn toegestaan, net als witte haren aan de tenen. Schouderhoogte Reuen 72-80 cm, na te streven hoogte 76 cm Fouten Ieder kleine afwijking van de hiervoor genoemde punten moet als tekortkoming, iedere grotere afwijking als fout worden aangemerkt. De kwalificatie dient in verhouding te staan tot de ernst van de afwijking en aangeven in welke mate daarmee rekening is gehouden (zeker waar het gaat om gedrag, type, harmonie, gangwerk). Diskwalificerende fouten
N.B. Reuen moeten twee duidelijk zichtbare normaal ontwikkelde teelballen hebben, die zich volledig in de balzak bevinden. |